Oliviers verhaal
Deze tekst is tot stand gekomen op basis van een interview met Olivier.
De school waar ik toen zat, zegt te werken vanuit liefde, nieuwsgierigheid, verbinding, plezier en vitaliteit. Een school waar iedere leerling welkom is en kan worden wie hij is.
Maar gold dat ook voor mij toen het moeilijk werd?
Toen ik zestien was, zat ik meer dan een jaar thuis. Meestal op mijn kamer. De drukte op school kon ik niet meer aan. De gangen, de klas, alle mensen en verwachtingen gaven mij steeds meer stress. Op mijn kamer was het stil, maar gelukkig was ik daar niet. Mijn wereld werd steeds kleiner en de stap naar buiten steeds groter.
Maandenlang hoorde ik niets van school. Geen telefoontje, geen kaartje, niemand die vroeg hoe het met mij ging. Uiteindelijk namen mijn ouders zelf contact op. Ook zij wisten niet goed wat ze moesten doen met een jongen die bijna de hele dag op zijn kamer zat.
Vanaf dat moment leek alles ineens in een sneltrein terecht te komen. School wilde dat ik vier dagen per week terugkwam. De leerplichtambtenaar vertelde wat er kon gebeuren als ik niet ging. Iedereen wilde dat ik weer naar school zou gaan, maar niemand leek zich af te vragen waarom dat na al die maanden niet zomaar lukte.
Er kwamen gesprekken, coaches en trajecten. De een moest uitzoeken waar ik naartoe kon. De ander moest mij weer ritme geven. Er werden formulieren ingevuld over mijn gedrag en mijn ouders kregen gesprekken over hoe zij als ouders functioneerden.
Iedereen leek ergens mee bezig. Maar wie hield zich eigenlijk bezig met mij?
Wat ik nodig had, stond nergens op een formulier.
"Ik had Iemand nodig die mij zag.”
Er was één coach die echt luisterde. Bij haar had ik voor het eerst het gevoel dat iemand wilde begrijpen wat er met mij aan de hand was. Maar juist toen ik haar begon te vertrouwen, moest zij mij overdragen. Haar rol hoorde volgens het systeem alleen bij de eerste fase.
Voor mij was die eerste fase nog helemaal niet voorbij. Ik begon pas net te praten.
Daarna ging ik drie keer per week naar een ‘back to school’-traject. Ik liet zien dat ik weer ritme kon opbouwen, maar het programma stond vast. Het bracht mij niet dichter bij school en al helemaal niet bij een antwoord op de vraag waarom ik mij zo voelde.
Vervolgens kreeg ik een nieuwe coach. Op papier had ik begeleiding. In werkelijkheid belde hij mij af en toe. Het idee was dat hij mij iedere dag zou bellen om mij wakker te maken, maar ook dat gebeurde nauwelijks. Je merkt echt wel of iemand jou wil leren kennen of vooral bezig is met wat er op zijn formulier moet staan.
Ondertussen kregen mijn ouders steeds te horen dat ze mij naar school moesten krijgen. Daardoor kwamen zij tegenover mij te staan, terwijl ik hen juist nodig had. Een tijdlang ging het tussen ons niet goed. Pas toen zij vroegen: “Wat heb jij nodig? Dan gaan we dát proberen,” veranderde er iets.
Eindelijk stond er iemand naast mij.
In die periode kreeg ik ook het jaarboek van school te zien. Bij een foto van mij stond: “Wie is de eerste die een zwerver gaat worden?” Daarmee werd ik bedoeld.
Ik zat thuis, wist zelf niet hoe het verder moest en las in het jaarboek dat ik blijkbaar degene was van wie niemand nog iets verwachtte. Misschien was het bedoeld als een grap. Voor mij voelde het alsof de school die mij maandenlang niet had gezien, mij uiteindelijk toch had opgemerkt. Niet als een jongen die hulp nodig had, maar als iemand van wie niets terecht zou komen. Die woorden deden pijn. En die pijn neem je mee.
Mijn problemen kwamen niet alleen door school. Maar school is wel de plek waar jongeren een groot deel van hun tijd doorbrengen. Als je niet gelukkig bent en nergens kwijt kunt wat er in je omgaat, lukt leren ook niet meer.
Ik verwachtte niet dat een docent mijn coach zou worden. Wel dat iemand zou zien dat het niet goed met mij ging. Ik kon best vertellen dat het niet lukte. Ik heb daar geen geheim van gemaakt. Maar als je aan iemand vraagt hoe het gaat, moet je ook willen luisteren naar het antwoord.
Hoewel ik vaak niet op school was, was ik geen spijbelaar die gewaarschuwd moest worden. Ik was een ongelukkige jongen van zestien die iemand nodig had om samen te kijken naar wat nog wél mogelijk was. Misschien een rustige ruimte, een stil moment of kleine stappen. Vooral had ik willen horen:
“Je hoort nog steeds bij ons. We weten nog niet wat werkt, maar we blijven bij je tot we het samen hebben gevonden.”
In mijn examenjaar ging ik niet meer terug naar school. Toen mijn klasgenoten bezig waren met hun eindexamens, had ik een baantje gevonden bij McDonald’s. Na de zomervakantie ben ik ook begonnen om één dag per week naar school te gaan. Inmiddels heb ik mijn startkwalificatie gehaald.
Bij mijn eerste beoordeling op mijn werk stond dat ik vanaf het begin had laten zien dat ik leergierig ben en snel dingen oppak. Die woorden deden iets met mij. Iemand zag niet alleen waar ik was vastgelopen, maar ook wat ik kon. Daardoor ben ik anders naar mezelf en naar leren gaan kijken.
Als ik terugkijk, heeft iedereen op papier zijn werk gedaan. Er zijn gesprekken gevoerd, waarschuwingen gegeven, trajecten ingezet en formulieren ingevuld.
Maar wat ik nodig had, stond nergens op een formulier.
Ik had iemand nodig die mij zag.
En dat gun ik iedere jongere die nu thuiszit.
